Fokwaardeschatting april 2011

categorie AEU, Fokwaarden
30
mrt
2011
0
Reacties

Voor de fokwaardeschatting van april 2011 staan een aantal veranderingen ingepland.

1. Geboorteverloop

Voor geboorteverloop zal een nieuw model en een nieuwe parameterset (erfelijkheidsgraden en correlaties) worden ingevoerd. Tot nu toe worden alleen fokwaarden voor stieren geschat, maar met de introductie van het diermodel komen ook fokwaarden voor koeien beschikbaar. Er worden fokwaarden geschat voor de kenmerken geboorteverloop, draagtijd en geboortewicht. Voor al deze drie kenmerken worden zowel fokwaarden geschat voor het direct effect (effect van vader op geboorte) als het maternale effect. Tevens wordt er onderscheid gemaakt tussen vaarzen en koeien. In totaal resulteert dit in 12 fokwaarden. De fokwaarde voor vaarzen, dus bijvoorbeeld geboorteverloop bij vaarzen, zijn de fokdoelkenmerken en deze zullen worden gepubliceerd. De fokwaarden voor de kenmerken bij koeien zijn ook beschikbaar, maar zijn meer bedoeld als achtergrondinformatie.

Voordeel van het nieuwe model:

voortaan worden ook gegevens van vaarzen gebruikt in de fokwaardeschatting
stieren voor met name het maternale effect een jaar eerder een fokwaarde krijgen voor dit effect
stieren die op basis van afkalvingen bij koeien als pinkenstier worden gebruikt krijgen uiteindelijk ook een fokwaarde op basis van geboortes bij pinken.

2. Levensvatbaarheid

Voor levensvatbaarheid zal een nieuw model en een nieuwe parameterset worden ingevoerd. Hiermee wordt de overgang gemaakt van een stiermodel naar een diermodel. Dit betekent dat er ook fokwaarden voor koeien beschikbaar komen. Er is een fokwaarde voor het directe effect en een fokwaarde voor het maternale effect. Tevens wordt er bij de fokwaardeschatting onderscheid gemaakt tussen vaarzen en koeien.

De te publiceren fokwaarden zijn de fokwaarden voor het directe en maternale effect bij vaarzen. De fokwaarden voor de kenmerken bij koeien zijn ook beschikbaar, maar zijn meer bedoeld als achtergrondinformatie.

3. Vruchtbaarheid

Bij vruchtbaarheid wordt de fokwaarde interval 1e inseminatie – laatste inseminatie voor het eerst gepubliceerd. Dit kenmerk heeft een sterke relatie met percentage dracht na 1e inseminatie. De berekening van de VRU-index blijft ongewijzigd.

Tevens worden de parameters (erfelijkheidsgraden en correlaties) vernieuwd.

4. Uiergezondheidsindex

Voor de buitenlandse stieren wordt voortaan de uitergezondheidsindex afgeleid uit de fokwaarde voor mastitis zoals Interbull die omrekent. Tot nu toe wordt voor de buitenlandse stieren die geen dochters in Nederland en Vlaanderen hebben de omgerekende celgetalfokwaarde van Interbull gebruikt als indicator voor de uiergezondheidsindex.

5. Exterieur

Voor stieren zonder een fokwaarde robuustheid (op basis van dochters in Nederland of Vlaanderen) wordt een alternatieve set wegingsfactoren gebruikt voor de berekening van totaal exterieur. De wegingsfactoren zijn 0,26 voor Frame, 0,36 voor Uier en 0,38 voor Beenwerk. Deze aanpassing geldt dus alleen voor die stieren waarvan de Interbull fokwaarden gepubliceerd worden (voorheen werd voor deze stieren een fokwaarde robuustheid afgeleid). Tevens worden de betrouwbaarheden van de fokwaarden berekend volgens een multiple trait model, waarbij rekening wordt gehouden met correlaties tussen kenmerken. Hierdoor zullen bij een aantal fokwaarden de betrouwbaarheden iets hoger uitkomen.

Tevens is voor de kenmerken conditiescore, voorspeenplaatsing en achteruierhoogte het basisverschil aangepast. Een aantal basisverschillen kwamen precies op 0,5 uit en zijn bij het afgeven van de basisverschillen vorig jaar niet correct afgerond. Dit is nu hersteld. Het betreft maximaal 1 fokwaardepunt verschil.

6. Publicatieregels

De publicatieregels bij stieren worden door GES aangepast. Reden is om op deze wijze een zo compleet mogelijke set fokwaarden voor de NVI te verkrijgen. De aanpassingen zijn:

– verlagen van de betrouwbaarheidsgrens van 35 naar 30%

– laten vallen van de eis bij exterieur van 15 gekeurde dochters op 10 bedrijven en alleen de betrouwbaarheid als eis te gebruiken

– bij levensduur de selectiegrens van data voor de Fokwaardeschatting van 15 dochters per stier te verlagen naar 10 dochters per stier

Op deze wijze wordt er naar gestreefd om zoveel mogelijk te voorkomen dat stieren al wel een productiefokwaarde hebben en daarmee een berekende NVI, maar nog geen fokwaarde voor bijvoorbeeld levensduur of exterieur, wat in het verleden soms voorkwam.

7. Omrekening fokwaarden van Z/R/L basis

Bij het publiceren van fokwaarden voor stieren wordt gebruikt gemaakt van drie verschillende bases op de fokwaarde te presenteren, te weten Zwartbont basis, Roodbont basis en Basis Lokaal. Op welke basis een stier wordt gepresenteerd is afhankelijk van zijn ras.

De fokwaarde van een stier wordt op één basis gepresenteerd door GES, maar in sommige gevallen worden fokwaarden omgerekend om stieren vergelijkbaar te maken.

Bij het omrekenen van een fokwaarde wordt het basisverschil tussen twee bases bij de fokwaarde opgeteld.

Echter in een aantal gevallen gaat deze manier van omrekenen niet geheel goed. Dit doet zich voor bij fokwaarden of indexen die worden afgeleid uit andere fokwaarden. Voorbeelden zijn vruchtbaarheidsindex, uiergezondheidsindex en de fokwaarden voor percentage vet en eiwit.

Probleem wat dan kan ontstaan is dat bij het narekenen van de afgeleide fokwaarden, dus het toepassen van de formule, je op een ander antwoord komt. De verschillen ontstaan door afronding, bij vruchtbaarheidsindex en uiergezondheidsindex, of doordat een kenmerk een verhoudingsgetal is, zoals bij percentage vet en eiwit.

GES heeft besloten om bij het omrekenen van fokwaarden van de ene basis naar de andere basis de vruchtbaarheidsindex, uiergezondheidsindex, NVI en de fokwaarden voor percentage vet en percentage eiwit te bepalen met de geldende formule, nadat de onderliggende fokwaarden zijn omgerekend.

8. Genomic fokwaarden

De genomic fokwaarden worden op basis van SNP gegevens geschat door CRV. In de methodiek van CRV is een aanpassing gedaan, waarbij op een andere manier wordt omgegaan met missende informatie op het DNA. Gemiddeld over de kenmerken heeft het geen invloed op de betrouwbaarheid van de genomic fokwaarden, maar het gemiddeld niveau van de stieren wordt beter ingeschat. Echter voor sommige stieren verandert de fokwaarden door de aanpassing wel.

9. KI Kampen stieren krijgen genomic fokwaarden

KI Kampen laat zijn stieren voor genomics onderzoeken bij CRV. Doordat de CRV genomic fokwaarden door GES zijn erkend en worden gebruikt in de GES fokwaarden, zullen bij deze evaluatie ook KI Kampen stieren zijn die een fokwaarde krijgen op basis van genomic informatie.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *